Het woord ‘talent’ wordt veel gebruikt maar ik gebruik het liever niet zo vaak. Een van de twee redenen dat ik niet zo gek ben op die term is dat het vaak tamelijk onduidelijk is wat ermee bedoeld wordt. Wanneer het woord gebruikt wordt denk ik dat mensen er doorgaans één van de volgende twee dingen mee bedoelen: ofwel hoog presteren (bijvoorbeeld prachtig gitaar spelen) of natuurlijke aanleg. Woordenboeken definiëren talent meestal als ‘natuurlijke aanleg’. De conventionele manier van denken van psychologen, opleider, ouders en managers is lang geweest (en is nog steeds, denk ik) dat talenten, in de zin van natuurlijke gaven, bestaan, dat individuen veel verschillen in deze natuurlijk gaven en dat deze talenten uitstekende voorspellers van toekomstig functioneren zijn. Daarom wordt vaak geadviseerd om je talenten te identificeren en om die activiteiten te kiezen waarvoor je talent hebt.
Maar een grote hoeveelheid onderzoek dat in de afgelopen decennia is uitgevoerd heeft veel twijfel doen ontstaan over de mate waarin talent (in de zin van natuurlijke aanleg) inderdaad bestaat en nog meer twijfel over de mate waarin vroege verschillen in functioneren goede voorspellers van toekomstig topfunctioneren zijn. Ik zal kort enkele relevante publicaties noemen:
- Intelligence and how to get it (door Richard Nisbett): dit boek beschrijft het bewijs voor de stelling dat intelligentie iets is dat je kunt verwerven: 1) Er is geen vastliggende waarde voor mate van erfelijkheid van intelligentie. Omgeving kan een belangrijke rol spelen in verschillen tussen intelligentie tussen individuen en groepen, 2) Erfelijkheid stelt geen limiet, op wat voor manier dan ook, aan de ontwikkelbaarheid van intelligentie, voor wie dan ook. Intelligentie is ontwikkelbaar en scholen kunnen kinderen slimmer maken, bijvoorbeeld door gebruik te maken van computerondersteund onderwijs en bepaalde vormen van coöperatief leren, 3) Genen spelen geen enkele rol in IQ verschillen tussen rassen, omgevingsfactoren wel, 4) geloven dat je intelligentie iets is dat jij kunt beheersen en beïnvloeden is een prima begin om je intelligentie te onwikkelen, 5) bepaalde gewoontes en waarden in culturen kunnen heel stimuleren of remmend zijn voor de ontwikkeling van intelligentie, 6) Ouders kunnen veel doen om de intelligentie en schoolprestaties van kinderen te verbeteren (zowel biologische en didactische factoren doen er toe).
- What is intelligence? (door James R. Flynn). Dit boek gaat over het zogenaamde ‘Flynn effect’ dat verwijst naar de gestage groei van gemiddelde IQ testscores over generaties. Het is effect dat wordt waargenomen in de meeste delen van de wereld hoewel in zeer verschillende mates. Het is genoemd naar James R. Flynn, die het uitgebreid heeft gedocumenteerd. Deze toename is continu en ongeveer lineair vanaf de vroegste dagen van IQ testen tot aan de dag van vandaag. De toename in intelligentie is zo snel dat het het idee ontkracht dat genetische factoren de ontwikkeling van IQ in de weg staan.
- Mindset: The New Psychology of Success (door Carol Dweck). Carol Dweck heeft met haar onderzoek aangetoond dat mensen die intelligentie zien als onveranderbaar (een zogenaamde fixed mindset) een neiging ontwikkelen om zich te richten op het bewijzen dat ze het kenmerk hebben in plaats van op het proces van leren. Deze veronachtzaming van het leerproces belemmert hen in de ontwikkeling van hun leren en in het functioneren. Dit betekent dat de verkeerde overtuigingen over intelligentie mensen dom kan maken. Maar er is een alternatieve mindset. Wanneer mensen intelligentie als een potentieel zien dat ontwikkeld kan worden (een groeimindset) dan leidt dit tot een neiging om inspanning te leveren om te leren en presteren en om strategieën te ontwikkelen die leren en het leveren van lange-termijn prestaties verbeteren. Boodschap: het loont om kinderen en studenten te leren dat intelligentie ontwikkeld kan worden.
- Whistling Vivaldi (door Claude Steele). Sociaal psychologen Claude Steele, Joshua Aronson en anderen hebben het fenomeen ‘stereotype vulnerability’ ontdekt. Dit betekent de neiging om negatieve stereotyperingen over de eigen sociale categorie (etniciteit, geslacht, leeftijd, etc.) te verwachten, waar te nemen en erdoor beïnvloed te worden. Steele en Aronson lieten in verschillende experimenten zien dat donkere studenten slechter presteerden dan lichte studenten wanneer de nadruk werd gelegd op hun etniciteit. Wanneer dit niet gebeurde presteerden zij echter beter en even goed als lichte studenten. De resultaten lieten zien dat studeerprestaties kunnen worden belemmerd door het bewustzijn dat je gedrag door lens van stereoptypes kan worden bekeken. Deze experimenten zijn gevolgd door een groot aantal experimenten met verschillende sociale categorieën met analoge resultaten.
- Anders Ericsson is één van de leidende experts op het gebied van expertiseontwikkeling. Hij heeft aangetoond via experimenten dat het ontwikkeling van top expertise meer dan wat dan ook een kwestie is van langdurig en herhaald doelgericht oefenen (deliberate practice). Deliberate practice rekt je op. Als je in staat bent om doelgericht te oefenen dat zul je profiteren door beter te worden. Vooral als je het extreem lang kunt volhouden. Het verbazingwekkende is dat deze stelling waar is voor een heel brede range van prestatiedomeinen (muziek, sport, wetenschap, schaken, noem maar op). Deliberate practice is iets heel specifieks en heeft tenminste drie belangrijke elementen: 1) specifieke doelen stellen, 2) directe feedback krijgen, 3) je evenveel op techniek als op resultaat richten. Veel onderzoek heeft laten zien dat topprestaties altijd gebaseerd zijn op extreem veel en langdurige deliberate practice. Als vuistregel houden onderzoekers een getal van 10000 uren aan. Het effect van deliberate practice is cumulatief. Je kunt het vergelijken met een weg waarop je reist. Elke afstand die je hebt afgelegd op die weg telt. Dus als je op vroege leeftijd bent begonnen dat zal dit een relatief voordeel geven ten opzichte van anderen die later starten. Er zijn verschillende boeken geschreven die uitgebreid op Ericssons werk ingaan zoals Talent is overrated (2008), The Talent Code (2009) and The Genius in All of Us (2010.
- Sociale psychologen Ap Dijksterhuis en Ad van Knippenberg hebben een reeks interessante primingexperimenten uitgevoerd. In primingexperimenten worden proefpersonen subtiel en vaak onbewust geactiveerd om zich op een bepaalde manier te voelen of gedragen voordat ze een taak moeten uitvoeren. Dijksterhuis en Van Knippenberg schreven een artikel waarin ze 4 experimenten beschreven die lieten zien dat het primen van het beeld van een professor of het kenmerk intelligentie het presteren van proefpersonen op een taak die algemene kennis meet verbeterde. Het primen van het stereotype van een voetbalvandaal of het kenmerk ‘dom’ verslechterde de prestaties. Blijkbaar kunnen we verrassend eenvoudig in en uit een intelligente toestand worden gebracht.
- The Brain That Changes Itself (door Norman Doidge) gaat over neuroplasticiteit. Dit is het proces van hoe het brein continu verandert als gevolg van ervaringen. Neuroplasticiteit is een zo krachtig potentieel dat het mogelijk is om breinactiviteit van het ene gebied in de hersenen naar een ander gebied te verplaatsen (bijvoorbeeld nadat hersenbeschadiging is opgetreden). Het brein kan zich fysiek ‘herbekabelen’ gedurende het hele leven hoewel dit bij volwassenen langzamer gaat dan bij kinderen. Dit is ook iets dat we bewust kunnen beïnvloeden. Wanneer we onze aandacht richten op iets dan heeft dit consequenties voor hoe ons brein verandert. Dit betekent dat het verstandig kan zijn om bewuste keuzes te maken over waar we onze aandacht op richten. Onderzoek naar neuroplasticiteit laat zien dat onze kenmerken niet zo vaststaand zijn als we lang gedacht hebben. Stoornissen zijn vaak minder definitief dan we lang gedacht hebben. We kunnen ons brein bewust blijven ontwikkelen en daar mee ook ons functioneren. En dat doen we ook. Alles wat we doen geeft vorm aan hoe we ons verder ontwikkelen. Elke keer dat we bewust onze aandacht ergens op richten veranderen we structureel.
- Onderzoek door Tracey L. Shors en haar collega’s laat zien dat elke dag duizenden nieuwe hersencellen (neuronen) worden aangemaakt in ons brein. Dit proces heet neurogenese en het vindt vooral plaats in de hippocampus, een hersenstructuur die betrokken in bij leren en herinneren. Binnen enkele weken sterven de meeste aangemaakte hersencellen weer tenzij de persoon wordt uitgedaagd om iets nieuws te leren. Leren, vooral het type leren dat veel inspanning vergt, kan deze nieuwe neuronen in leven houden. Ho new. Learning -especially that involving a great deal of effort (effortful learning) – can keep these new neurons alive. Hoewel deze neuronen niet noodzakelijk lijken te zijn voor leren spelen ze vermoedelijk een rol in het voorspellen van de toekomst gebaseerd op eerdere ervaring. Het bevorderen van neurogenese kan dus helpen bij het voorkomen van cognitief verval en oudere breinen fit en scherp houden.
Gelukkige liefdespartners doen wat werkt
Terri Orbuch PHD deed onderzoek naar wat een huwelijk gelukkig maakt en deze twee conclusies sluiten heel goed aan bij de oplossingsgerichte uitgangspunten:
- focus op wat werkt, niet op wat niet werkt: Orbuch concludeert dat de stellen die gelukkig zijn vooral focussen op wat er goed gaat tussen hen. Ze wisselen uit wat goed gaat en denken aan wat goed gaat en daardoor versterken ze het positieve in hun huwelijk. Praten over wat niet goed gaat is niet onbelangrijk, natuurlijk, maar het heeft een minder positief effect op huwelijksgeluk dan het focussen op wat er wel goed gaat.
- let op details: Het zijn niet zozeer de grote, ingrijpende gebeurtenissen in een huwelijk die huwelijksgeluk bepalen, maar veel meer de alledaagse kleine details. Kleine dagelijkse lieve dingen tikken veel meer aan en maken partners veel gelukkiger dan de grootse gebeurtenissen. Of je partner luistert, vraagt hoe je dag was en rekening houdt met je vermoeidheid doet veel voor je liefdesgeluk.
Onderzoek naar coaching
Een interessante bijdrage in het boek Designing positive psychology is het hoofdstuk van Anthony Grand en Michael Cavanagh (foto) over coaching. Ik zal het hoofdstuk hier niet volledig samenvatten maar ik zal enkele punten belichten die ik interessant vond.
What is coaching?
De auteurs leggen uit dat coaching in het afgelopen decennium een reguliere activiteit geworden, zowel in het bedrijfsleven als in de gezondheidszorg. Ze definiëren coaching als de relatie die gevormd worden tussen een professionele coach en een coachee met als doel het bereiken van gewenste professionele of persoonlijke resultaten. Ze leggen ook uit dat veel coaching geen expliciete training in de gedragswetenschappen hebben dat de meeste coaches geen coherente theoretische aanpakken gebruiken of wetenschappelijk gevalideerde technieken en instrumenten. Als enkele toepassingen van coaching noemen zij: 1) zakelijke coaching (business coaching), 2) leren om goed om te gaan met lastige mensen, 3) loopbaancoaching, 4) teambuilding, 5) coaching om verkoopresultaten te verbeteren en 6) coaching om sollicitatievaardigheden te verbeteren.
Onderzoek naar coaching
Volgens de auteurs staat het onderzoek naar coaching nog in de kinderschoenen hoewel er een significante groei in de coaching literatuur is geweest in de afgelopen jaren. Van de 360 peer reviewed artikelen die zijn gepubliceerd tussen 2000 en 2009, bestond 30% uit empirische studies. Veel van deze empirische studies betroffen geen effectiviteitsresearch maar 1) enquêtes of descriptieve studies over de aard van coaching, 2) onderzoekingen naar het gebruik van coaching in organisaties of 3) onderzoek naar verschillende percepties van coaching. De auteurs hebben 81 studies gevonden die zijn gedaan sinds 1980. 27 van deze studies waren case studies, 40 ‘within-subject’ studies en 15 ‘between subject’ studies. Er waren 11 effectiviteitsstudies die gebruik maakte van een gerandomiseerd gecontroleerd design die er inderdaad op wezen dat coaching functioneren op verschillende manier kan verbeteren. 4 van deze studies waren gesitueerd in het medische veld, 4 studies hadden betrekking op levens- of persoonlijke coaching en 3 ervan gingen over werkgerelateerde coaching (Deviney, 1994; Duijts, et al., 2008; Grant et al., in press). Grant et al. (in press) vond bijvoorbeeld dat “short-term solution-focused, cognitive behavioral executive coaching” die bestond uit vier coachingssessies verspreid over 10 weken leidde tot grotere veerkracht en welbevinden op het werk en tot minder stress en depressie.
Hoe komen we er?
Berenschot deed onderzoek naar strategietrends en constateert dat organisaties vaak wel een visie hebben op wat ze willen bereiken, maar het vervolgens lastig vinden om dit ook daadwerkelijk in de praktijk te brengen. Dat hoor ik bij meerdere organisaties waar ik de laatste tijd kom. "We weten wel wat onze droom is, maar de dagelijkse praktijk blijft weerbarstig doen wat die zelf wil."
Onbedoeld kunnen fantaseren en dromen over ideale situaties ertoe leiden dat mensen minder in beweging komen in plaats van meer. Wetenschappelijk onderzoek kan hier een licht op werpen. Bijvoorbeeld het onderzoek van Gabrielle Oettingen en Meike Hagenah, getiteld “Fantasies and competence”, waar ik al eerder over schreef. Uit dit onderzoek blijkt dat het fantaseren over een ideale toekomst, een droomtoekomst, kan leiden tot inertie en het juist niet bereiken van je doel.
Als teams naast een gezamenlijke visie op wat ze willen bereiken ook een concreet beeld hebben van hoe ze gaan merken dat ze dat aan het bereiken zijn, neemt de kans op daadwerkelijke actie toe. Hierbij kan zowel het analyseren van behaald succes in het verleden, als het visualiseren van succes in de toekomst behulpzaam zijn. Bij het analyseren van succes in het verleden komen teams erachter wat er goed werkt voor hen: "Wanneer is het ons al eens gelukt om onze acties goed in lijn te laten zijn met onze visie? Hoe kregen we dat toen voor elkaar?" En bij het visualiseren van succes in de toekomst worden mensen enthousiast en komen ze op ideeën:" Stel dat we de komende periode merken dat onze acties goed in lijn liggen met onze visie, waaraan merken we dat dan? Wat doen we dan allemaal? Wat doen we dan evt. niet meer? Waaraan merken onze klanten dat? En onze medewerkers?"
Voor succesvolle verandering is er zowel een positief beeld van de toekomst nodig, als een concreet plaatje van hoe het proces naar die gewenste toekomst toe eruit ziet.
Fouten maken moet (als je wilt leren)
Meer geluk voor meer mensen: hoe bereik je dat?
Ruut Veenhoven schreef een heerlijk toegankelijk hoofdstuk in Designing Positive Psychology. Titel: greater happiness for a greater number: is that possible? If so, how?
Zijn antwoord is dat het zeker mogelijk is, en dat het ook wenselijk is dat er meer mensen gelukkig zijn in een samenleving. Hij noemt de volgende redenen waarom het wenselijk is:
- gelukkige mensen zijn actiever, creatiever en meer open minded
- gelukkige mensen zijn betere liefdespartners en betere ouders
- gelukkige mensen zijn betere burgers, ze zijn beter geïnformeerd en meer sociaal betrokken en zijn gematigder in hun politieke overtuigingen.
- gelukkige mensen leven langer
- kortom: geluk is op zichzelf fijn en goed en heeft daarnaast een aantal plezierige bij-effecten
- er is een duidelijke relatie tussen het gemiddelde geluksniveau in een samenleving en de kwaliteit van die samenleving. Zimbabwe scoort bijvoorbeeld een gemiddelde 3,3 op geluk en Denemarken een 8,4 en het geluksniveau in Denemarken is de laatste 30 jaar sterk toegenomen. Geluk is dus geen vaststaand gegeven maar verandert naarmate de kwaliteit van de samenleving verandert.
- als onze basisbehoeften beter worden vervuld, zijn we gelukkiger. Geluk is dus niet simpelweg een kwestie van hoe je tegen iets aankijkt of hoe je persoonlijkheid in elkaar zit. Geen fixed set point, maar een beïnvloedbare factor. Veranderen we onze omstandigheden, dan verandert ons geluksniveau.
- op macro niveau is het welvaartsniveau van de maatschappij een belangrijke indicator voor het gemiddelde geluksniveau. Op macroniveau blijkt ook dat gelijkwaardigheid en gelijke kansen voor de sexen sterk correleert met het geluksniveau in de samenleving en ook de mate van vrijheid in een samenleving is sterk gerelateerd aan het geluksniveau.
- op meso-niveau is de leefbaarheid van organisaties, scholen en andere instituties een belangrijke indicator voor geluk. Gelukkige scholen en gelukkige organisaties zijn instituten waar de leefbaarheid hoog is.
- op micro-niveau is het geluk van individuen beïnvloedbaar op vier manieren: mensen helpen te leren te genieten, te leren te kiezen, te leren te groeien en te leren om zin te geven aan je leven.
Gastbijdrage van de week
In de NOAM Nieuwsbrief willen we een nieuwe vaste rubriek opnemen, de gastbijdrage van de week. Zowel lezers van de nieuwsbrief als wijzelf vinden het vaak erg leuk om te lezen over praktijkervaringen van andere NOAM Nieuwsbrief lezers. We denken aan een berichtje van een maximale omvang van 500 woorden een het moet uiteraard een link naar oplossingsgericht werken hebben. Hebt u als lezer misschien interesse om eens een gastbijdrage te schrijven? Stuur dan een e-mail naar noam@planet.nl
Fijn, ik ben bang!?
Positieve emoties zijn fijn, negatieve emoties zijn naar. Gelukkig zijn is begerenswaardig, ongelukkig zijn is iets dat je wilt vermijden. Hoe gelukkiger, hoe beter immers? Maar, zeggen Tamir en Gross, houdt dit wel stand als je tegenover een leeuw staat en angst voelt? Is die angst dan negatief of positief in de gegeven situatie? Interessant om eens te verkennen. Wat nu als je je kribbig voelt omdat je aan de lijn doet? Is die kribbigheid dan een positieve of een negatieve emotie? Als je positieve emoties zoveel mogelijk wilt versterken, hoe gelukkiger hoe beter, dan zou je dus toch dat chocoladetaartje moeten nemen? Nee, natuurlijk, als je wilt afvallen dan neem je die negatieve emoties erbij, omdat je een doel nastreeft, een lager gewicht.
Die kribbigheid noemen Tamir en Gross dan een nuttige emotie. Het is een emotie die helpt om je doel te bereiken. Een optimale emotieregulatie is daarom niet om zoveel mogelijk positieve emoties te ervaren, maar om nuttige emoties te ervaren en schadelijke emoties te doen afnemen of voorkomen, ongeacht of die emotie een fijne of een nare ervaring betekent. Wat mensen willen voelen hangt af van hun doelen. Een instrumentele benadering van emotieregulatie dus. Die benadering zegt dat wat mensen verschillen in wat ze willen voelen. Mensen bijvoorbeeld die graag risico’s vermijden, bleken hun piekerniveau te verhogen vlak voordat ze een risicovolle taak op zich namen. Dit piekeren is de emotie die hoort bij het doel “ik wil graag risico’s minimaliseren”. In die zin is deze negatieve emotie (piekeren) een nuttige emotie voor deze persoon in deze situatie en hoe negatief is zo’n emotie dan eigenlijk? Ook het piekeren kan bijdragen aan een gevoel van welbevinden, wanneer de persoon ervaart dat het piekeren een nuttige emotie is.
Dat leidt tot de volgende conclusie van Tamir en Gros: Alle emoties kunnen potentieel bijdragen aan een gevoel van welbevinden, als die emoties worden ervaren in de juiste context, op het juiste intentie niveau en voor een passende duur. Positief is daarom niet hetzelfde als plezierig. En negatief is niet hetzelfde als onplezierig. Positief is dat wat leidt tot optimaal functioneren. Positieve emoties kunnen daarom zowel plezierig als onplezierig zijn, afhankelijk van hun effect op het welbevinden van het individu.
Fijn, ik ben bang?!



hallo Coert, Gwenda,
BeantwoordenVerwijderenveel mooie stukken in deze nieuwsbrief. Het stuk over talent heb ik doorgestuurd aan mijn zoon die 2e jaars student psychologie is. Eens kijken of hij het ook interessant vindt. Het stukje over positieve emoties geeft weer nieuwe handvaten voor positief relabelen. Dank.
groet,
Herman Prüst