- Waar zeg je "ja" tegen?
- Microanalyse: gedetailleerd zichtbaar maken hoe de oplossingsgerichte aanpak verandering mogelijk maakt
- De koppel-schaal
- Wat werkt in oplossingsgericht coachen?
- Het 4SFC-model en de docent
- Over de vraag of we een vrije wil hebben
Waar zeg je "ja" tegen?
Een cliënt liep al jaren te peinzen over zijn gewenste situatie. Hij had het idee dat hij een beslissing moest nemen en hikte er tegen aan om door te pakken. Het ene moment bedacht hij dat hij een goede reden had om nog geen beslissing te nemen. En dat deze twijfelfase nuttig was, een soort voorbereiding op een beslissing. Het andere moment voelde hij zich onder druk staan om te beslissen. Bang als hij was dat anders de beslissing voor hem genomen zou worden, doordat hij zo zat te aarzelen. Hij was erover in gesprek met zijn oplossingsgerichte coach. Hij beschreef de fluctuaties die hij ervoer in het weten of hij op de goede weg was. Hij beschreef de negatieve consequenties van de ene of de andere beslissing. Hij vertelde over zijn angst om te beslissen en zijn onzekerheid of hij wel de juiste afwegingen aan het maken was. Hij vertelde wat hij niet wilde dat er zou gebeuren.
De coach gaf hem aan het einde van het gesprek de volgende observatiesuggestie mee: wil je de komende periode eens opletten waar je “ja” tegen zegt? De observatiesuggestie vraagt (anders dan de gedragssuggestie) niet om actie, maar enkel om “opletten”. In dit geval opletten op waar de cliënt merkt dat hij “ja” tegen zegt. De cliënt ging hiermee verder en schreef een brief uit de toekomst. Dat wil zeggen dat hij een brief schreef waarin hij zich voorstelde dat het een jaar later was en hij met voldoening op het afgelopen jaar terug keek. In de brief beschreef hij hoe zijn “ja” er het afgelopen jaar had uitgezien. Waar had hij “ja” tegen gezegd? Hoe kon hij merken dat hij daar “ja” tegen had gezegd? Wat deed hij dan? Waaraan konden anderen merken dat hij daar “ja” tegen had gezegd? De vraag “waar zeg je “ja” tegen?” hielp deze cliënt om, zonder druk of haast om te moeten beslissen, steeds meer zicht te krijgen op zijn positieve doelen en keuzes. Daardoor werd de negatieve spiraal van zijn malende gedachten omgebogen in een positieve spiraal van stapsgewijze verbetering.
Microanalyse: gedetailleerd zichtbaar maken hoe de oplossingsgerichte aanpak verandering mogelijk maakt
Gastbericht door Paolo Terni, oplossingsgerichte coach in Sacramento (USA)
Eén van de kernprincipes van oplossingsgericht werken is dat ‘de actie in de interactie zit’ zoals Mark McKergow en Paul Z Jackson het briljant hebben uitgedrukt. Dit betekent dat we betekenis en oplossingen ‘co-construeren’ in de interactie. Maar hoe? Dit is waar micro-analyse in het verhaal komt. Micro-analyse, gepionierd en uitgebreid toegepast door Janet Beavin Bavelas en haar onderzoeksgroep van de Universiteit van Victoria, wordt gedefinieerd als ‘het gedetailleerde en betrouwbare onderzoek van de observeerbare communicatie-sequenties die plaatsvinden, van moment tot moment in de dialoog.
- Betrouwbaar - Het is proces dat zo empirisch is als maar kan: gesprekken worden op video opgenomen (waarbij ervoor gezorgd wordt dat alle mensen die deelnemen aan het gesprek de hele tijd in beeld zijn); elk segment wordt in detail geanalyseerd en vervolgens op een beschrijvende manier gecodeerd.
- Gedetailleerd - Ze maken geen grapjes; ik had het voorrecht om een workshop bij te wonen, geleid door Janet B. Bavelas en haar team om micro-analyse te leren doen op eerder opgenomen sessies. Het is zwaar werk. Het vergt uren om een paar seconden van een gesprek te analyseren. Je verstand staat erbij stil hoeveel interacties er plaatsvinden in zelfs het kleinste stukje gesprek.
Er is geen onderliggende theorie in micro-analyse: in plaats daarvan gaat het er bij deze benadering om om te zien wat er feitelijk gebeurt wanneer een therapeut en een cliënt met elkaar praten, op een observeerbaar niveau. Onder de meest indrukwekkende bevindingen tot dusverre:
- Het isoleren van ‘aardende sequentie’ en een beter begrip van hoe deze gemeenschappelijk betekenis creëren in een dialoog. Aarden is het stapsgewijze proces waardoor in een gesprek wederzijds begrip ontstaat (gemeenschappelijke grond). Meestal zijn er 3 stappen in aarden: 1) de spreker geeft de informatie (dit kan zo klein zijn als een kort blik of oogcontact), bijvoorbeeld: “Hallo, mijn naam is Jan.”, 2) de geadresseerde laat ofwel begrip zien of niet, bijvoorbeeld: “Aangenaam kennis te maken, Jan. Mijn naam is Maria.”, 3) de spreker bevestigt (“aangenaam kennismaken Maria.” Het is interessant om te zien hoe deze aardingssequentie van 3 stappen letterlijk begrip in een gesprek tot stand brengt.
- In een onderzoek waarin 3 oplossingsgerichte therapiegesprekken (SFBT) en 3 cognitieve gedragstherapie gesprekken (CBT) werden gemicro-analyseerd: a) oplossingsgerichte therapeuten waren “meer positief” (dat betekent dat ze meer vragen en uitingen gebruikten die de cliënt richtten op een positief aspect van of zijn of haar leven) dan CBT therapeuten (197 vs. 93 items), b) CBT therapeuten bleken “meer negatief” (dat betekent dat ze meer vragen of uitingen gebruikte die die de cliënt richtten op een negatief aspect van of zijn of haar leven) dan oplossingsgerichte therapeuten (140 vs. 37 items), c) oplossingsgerichte experts waren homogeen CBT experts waren heterogeen (dat wil zeggen dat terwijl de ratio van positieve versus negatieve inhoud gelijk was in de 3 oplossingsgerichte gesprekken, er grote variaties waren in de 3 CBT gesprekken).
- In een onderzoek waarin 2 SFBT sessies, 2 CBT sessies en 1 MI (Motivational Interviewing) sessie werden gemicro-analyseerd: a) SFBT behielden meer van de woorden van de cliënt in hun formuleringen (46%) dan CBT & MI beoefenaars (23%), b) SFBT experts voegden minder woorden toe in hun gesprekken met cliënten (10%) dan CBT & MI beoefenaars (35%).
Zoals Bavelas in de workshop opmerkte: “Het is niet waar dat SFBT geen theorie heeft; het heeft een zeer geraffineerde theorie over interactie en taal.” Met andere woorden, terwijl SFBT geen aannames doet over de mechanismes of de theoretische entiteiten waardoor verandering plaatsvindt, heeft het een heel duidelijke en consistente set van regels over hoe interactie en taal gebruikt moeten worden om verandering te laten plaatsvinden. En dit kan getoond worden dankzij micro-analyse. Ik denk dat het meest nuttige is wat ik uit mijn micro-analyse training heb gehaald een hernieuwde waardering voor de subtiliteiten in menselijke interacties die in gesprekken het verschil kunnen uitmaken. En als trainer van oplossingsgerichte coaches vond ik wat ik geleerd heb in de training a conversation van onschatbare waarde: het helpt je om kleine details in coachingsgesprekken op te merken die ik dan gebruik om feedback te geven aan cursisten.
De koppel-schaal
De oplossingsgerichte schaalvraag is een heel prettig en flexibel inzetbaar instrument. Soms zijn oplossingsgerichte coaches met twee personen in gesprek, die allebei hun eigen kijk op de werkelijkheid hebben. Ook dan kan de schaalvraag goed ingezet worden. Bijvoorbeeld door middel van de “convergente koppelschaal”. Wat dat is?
In het boek Doing something different edited by Thorana Nelson staat een bijdrage van Hacket en Ball waarin ze de “convergente koppelschaal” uitleggen. Hij gaat zo:
Stel je voor dat je als oplossingsgerichte coach in gesprek bent met een koppel (bestaande uit twee echtgenoten of collega’s bijvoorbeeld). Het koppel is bij je gekomen omdat ze de dingen tussen hen graag willen verbeteren, omdat ze er ontevreden over zijn hoe het nu gaat. De coach schetst een schaal, waarbij het ene uiteinde in een hoek van de kamer is en het andere uiteinde in de hoek daar recht tegenover. In het midden van die rechte lijn is de 10 positie.
Het middelpunt is dus het punt waar het koppel hun gewenste situatie heeft bereikt. De twee uiteinden van de schaal is de 0-situatie van de ene en de andere persoon. Beiden hebben hun eigen schaal die loopt van de hoek van de kamer tot het middelpunt in de kamer en de 10 is de gezamenlijke gewenste situatie.
0 ----------------------------10---------------------------------0
De coach vraagt beiden om op het punt op de schaal te gaan staan waar hij/zij nu vindt dat ze nu staan in het bereiken van de gewenste situatie. Omdat de middenpositie van de schaal de 10 is, kijken beiden elkaar aan. Zo praten ze meer met elkaar dan met de coach en ze hebben contact met elkaar, de coach staat aan de zijkant. De coach stelt vervolgens alle vragen die bij de schaalvraag horen, aan beide personen. In het boek staan die vragen niet uitgewerkt. Ik zou deze vragen stellen (als de gewenste situatie van beiden al is geformuleerd):
- Aan de ene persoon en daarna aan de andere persoon: Waar sta je nu? Wat zit er in dat cijfer? Hoe is het al gelukt om op die positie te komen? Wat heeft daarbij geholpen? Wat nog meer?
- Aan de ene persoon en daarna aan de andere persoon: Wat is het hoogste dat het al eens is geweest? Ga daar eens staan (de persoon loopt richting het midden van de kamer) Wat was er toen beter? Hoe is dat toen gelukt? Wat leverde dat toen op?
- Beiden gaan terug naar de huidige positie. Aan de ene persoon en daarna aan de andere persoon: Hoe ziet 1 stapje hoger op de schaal eruit? Wat doen jullie dan anders? Wat gaat er dan beter?
- Aan de ene persoon en daarna aan de andere persoon: Op welke ideeën brengt dit voor een stapje in de richting van de 10?
- Als je dat stapje hebt bedacht, zet het dan eens fysiek. (zodat ze ook fysiek dichter bij elkaar komen)
Door Ursula Six, Loopbaaninc.nl
Interessante vraag; wat werkt er nu eigenlijk zo in dat oplossingsgericht coachen? Om dat te beantwoorden, is het zinvol eerst eens te kijken naar de overeenkomsten tussen het “gewone” coachen en het oplossingsgerichte coachen.
Overeenkomsten:
- vanuit een niet-wetende houding coachen
- vragen stellen, luisteren, samenvatten en doorvragen. Kortom een actieve luisterhouding
- niet oordelen integere en betrouwbare gesprekspartner zijn
- open sfeer creëren in het nu zijn aansluiten bij je cliënt
- De intrinsieke drijfveren van een cliënt staan voorop in het OGC. De coach volgt de cliënt. Bij het gewone coachen is er toch sprake van een gelijk opgaan en in sommige gevallen loop je als coach zelfs vooruit, omdat je door spiegelen van gedrag de suggestie kan opwekken dat jij het als coach al ziet/weet/snapt.
- Analyseren. In het gewone coachen is men op zoek naar de patronen en overtuigingen die de zienswijze van iemand mede bepalen. In het gewone coachen wordt hier aandacht aan besteed. Ook aan de vraag wat betekent dit, waar komt het vandaan en wat voor last heb je ervan en hoe zou je ermee om kunnen gaan. Dus spitten, graven en vanuit expertise ook advies geven. Alleen het feit dat het kwartje valt, is voor velen niet voldoende om ook daadwerkelijk tot verandering te komen. De wens om tot verandering te komen is er vaak wel. Maar het hoe en wat werkt zodat voor dat vraagstuk een verandering kan worden ingezet, kan hiermee nog achterwege blijven.
- Bij het OGC wordt er niet zozeer gekeken naar het wat en waarom. Er wordt op procesniveau gewerkt. Door de vraag “HOE heb je er last van” haal je iemand uit de inhoud en maakt het dat iemand kijkt naar zijn eigen stuk. Na deze uiteenzetting gaat men al naar de stap hoe iemand het zou willen hebben. Dat geeft ruimte en gevoel van optimisme. Bij het gewone coachen gaat men eerst een ellende van patronen, geschiedenis etc. door
- Constructieve gespreksstructuur; door de vastgestelde stappen te volgen, zit er een logische lijn in het gesprek en komt het uit bij een eindpunt. Een concrete eerste stap in de richting van de zelfgeformuleerde oplossing wordt afgesproken. Men heeft zin om te starten en men weet waarmee men wil gaan starten. Klein en overzichtelijk!
Wat werkt er nu dan zo met name?
Door de structuur als leidraad van het gesprek te houden en tijd te nemen voor het proces zodat het gevoel van “ongestoord kunnen oplepelen en verdiepen” wordt geactiveerd. Dit brengt concreet tot stand dat men zicht krijgt op mogelijkheden en zaken die voor hen werken. De oplossing komt vanuit de cliënt zelf. Hierdoor krijgt men weer focus en drive om zaken aan te pakken.
Ursula Six: Ruim 10 jaar geleden heeft zij bureau opgericht voor HRM-projecten, loopbaanbegeleiding en coaching. In haar werk begeleidt ze mensen individueel en in groepen. http://twitter.com/UrsulaSix
Het 4SFC-model en de docent
Als een student bijvoorbeeld met een probleem zit welke studierichting hij het beste kan kiezen, en hij vraagt een docent om hulp, dan is de competentie “helpen” van toepassing. Bij oplossingsgericht helpen wordt het doel van het gesprek door de student bepaald. De docent kan met oplossingsgerichte vragen gaan exploreren wat de student wil bereiken en wat voor de student werkt om dat te bereiken (interne doelen en interne oplossingen).
Als een student bijvoorbeeld in een les zit bij de docent en iets niet weet of niet begrijpt, dan kan de docent oplossingsgericht trainen. Bij trainen heeft de docent expertise die hij ter beschikking stelt aan de student. Op de oplossingendimensie staat trainen bij de externe oplossingen. De docent kan met oplossingsgerichte interventies gaan exploreren wat de student wil bereiken en kan vervolgens ideeën aanreiken over hoe de student dat kan gaan bereiken (interne doelen en externe oplossingen).
Wanneer niet de eigen doelen van de student centraal staan maar overkoepelende doelen, dan zijn de competenties sturen of instrueren aan de orde. Beide competenties bevinden zich op de uiterst rechterkant van de doelendimensie. De student moet bijvoorbeeld een bepaald aantal studiepunten behalen voordat hij door mag met de vakken van het volgende jaar. Dat is niet zijn eigen doel, maar het is een eis die gesteld wordt vanuit de opleiding of de maatschappij. Of een student moet een bepaald vak op een bepaalde manier doorlopen, en voldoen aan bepaalde procedures om het vak te kunnen halen. Dat is niet zijn eigen doel, dat is een verwachting vanuit de opleiding. Instrueren en sturen zijn twee verschillende competenties.
Bij instrueren geeft de docent instructies. Zowel het doel als de manier waarop de student het doel moet bereiken staan vast. Bij sturen geeft de docent het doel aan en vult de student zelf in hoe hij dat doel gaat realiseren. Bijvoorbeeld: "Om met je tweedejaars vakken te kunnen gaan starten moet je X studiepunten behaald hebben, wat zijn jouw ideeën over hoe je je achterstand kunt inlopen?"
De docent is dus een student aan het helpen wanneer hij op zoek gaat naar de doelen en de oplossingen van de student. Het WAT en het HOE wordt door de student bepaald. De docent is aan het sturen wanneer hij de student activeert om bepaalde doelen te gaan bereiken door hem zijn eigen oplossingen te laten bedenken. Het WAT wordt door de docent bepaald en het HOE wordt door de student ingevuld. De docent is aan het trainen wanneer hij externe oplossingen aanbiedt aan de student, die de student kan helpen om zijn eigen doelen te bereiken. Het WAT wordt door de student bepaald en het HOE wordt door de docent aangereikt. De docent is aan het instrueren wanneer hij de student activeert om bepaalde doelen te gaan bereiken door middel van een gegeven aanpak. Het WAT en het HOE worden door de docent bepaald.
In de praktijk zijn deze vier competenties vaak in één en dezelfde interactie met een student aan de orde en switcht de docent snel tussen die verschillende rollen.
Over de vraag of we een vrije wil hebben
Ik weet niet wat ik moet denken over het onderwerp van de vrije wil. Sam Harris stelt, in zijn nieuwe boek Free Will (dat ik niet heb gelezen, het komt pas uit in maart) dat de vrije wil niet bestaat. De bioloog Jerry Coyne is het hier mee eens. In zijn column Why you don’t really have free will zegt hij dat, hoewel we denken dat we een vrije wil hebben, dit eigenlijk niet zo is. Hij zegt ook dat er niet veel nadelen zijn aan het loslaten van het idee van een vrije wil en wel enkele belangrijke voordelen. Eén van de voordelen die hij noemt is dat het veel gemakkelijker zal worden om empathie te hebben voor andere mensen als we ons realiseren dat hun gedrag is gebaseerd op genen en omgeving, niet op vrije wil.
Onderzoekers op het gebied van de priming praten in termen van de automaticiteit van het zijn. John Bargh schreef: “Het grootste deel van iemands alledaagse leven worden niet bepaald door bewuste bedoelingen en doelgerichte keuzes maar door mentale processen die in beweging zijn gezet door kenmerken van de omgeving en die buiten ons bewustzijn en sturing om werken. De psycholoog Daniel Wegner, auteur van The Illusion of Conscious Will lijkt nog een stapje verder te gaan toen hij zei: “… de wil is niet een psychologische kracht die actie veroorzaakt. Het is eerder een perceptie die resulteert uit interpretatie. Het is een bewuste ervaring die slechts een vrij zwakke rol spelen, of misschien zelfs geen enkele, in de feitelijk relaties tussen de cognitie en actie van die persoon”
Een volledig tegengestelde positie wordt ingenomen door Valery Chirkov die schrijft, in een hoofdstuk in Human Autonomy in Cross-Cultural Context: “Eén van de redenen voor het schrijven van dit hoofdstuk is mijn sterke overtuiging dat de these dat menselijke autonomie een illusie is niet alleen foutief is maar ook gevaarlijk voor de verdere ontwikkeling van onze beschaving. Dit is zo omdat deze these een van de fundamentele condities voor menselijkheid en welbevinden verplaatst naar het domein van relativiteit, sociale onderhandeling en linguïstische constructie, en mensen achterlaat zonder duidelijk fundament voor hun zoektocht naar een beter leven. Chirkov noemt het werk van Daniel Dennett die heeft voorgesteld dat vrijheid evolueert: terwijl we evolueren heeft er een geleidelijke toename in onze vrijheidsgraden plaatsgevonden.
Ik blijf achter in verwarring. Is de vraag of we een vrije wil hebben wel goed gesteld? Moeten dit onderwerp in discontinue termen definiëren (hebben we een vrije wil of niet?) of zou het beter zijn om het in continue termen in te kaderen (in welke mate beschikken we over, of kunnen we beschikken over, een vrije wil?). Zou het waar kunnen zijn dat de vrije wil geheel een illusie is maar dat deze illusie bijdraagt aan ons welbevinden? (zie het onderzoek naar zelfdeterminatie wat laat zien dat de vervulling van onze behoefte aan ‘beleefde’ autonomie bijdraagt aan ons welbevinden en functioneren). Is de vraag of we een vrije wil hebben überhaupt een belangrijke vraag? Welke perspectief is overtuigender: Coynes perspectief dat het loslaten van de illusie van de vrije wil ons empathischer zal maken of Chirkovs perspectief dat het verliezen van het geloof in onze autonomie ons zal ontmoedigen om te proberen onze levens te verbeteren?




Een reactie op de bijdrage van Ursula Six.
BeantwoordenVerwijderenKennelijk zijn volgens mevrouw Six, twee manieren van coachen; of 'gewoon' of oplossingsgericht. Ik vind dit een zeer beperkte manier van kijken naar het vak coaching.
Voor mij is coachen; 'gewoon' luisteren, kijken en handelen naar dat wat het meest dienend is aan de client!
En als dat spitten en graven is, bijvoorbeeld door systemisch werken, dan is dat een manier. Van daaruit kom je ook tot oplossingen. En als het het meest dienend is om via een oplossing terug te kijken naar het hoe en waarom van een probleemsituatie, dan is dat ook een manier. Het is voor mij dus niet of-of, maar en-en!
Groet, Carin
Interessant, die visies over de vrije wil die haaks op elkaar lijken te staan. Veel wetenschappers en filosofen zijn het er over eens dat vrije wil een illusie is. Tegelijkertijd leven we wel in deze 'illusie' en is het daarom een levende werkelijkheid geworden. In dat opzicht hoeft vrij wil-geen vrije wil geen tegenstelling te zijn!
BeantwoordenVerwijderenGroet,
Thijs
Hallo Coert en Gwenda,
BeantwoordenVerwijderenInteressante bespiegelingen over de vrije wil.
Ik las pas geleden, ik geloof in de Psychologie, dat het loslaten van het idee van een vrije wil leidt tot sociaal minder wenselijk gedrag. Na het lezen van een artikel waarin de vrije wil onderuit werd gehaald, gedroegen proefpersonen zich asocialer. Omdat er toch geen vrije wil bestaat - en iedereen dus willoos doet wat zijn brein hem laat doen - geeft het hen het recht zich 'bandeloos' te gedragen en geen verantwoordelijkheid te nemen voor het eigen gedrag. De belevening van vrije wil zou daarom essentieel zijn voor het leven van de mens in sociale groepen.
NB : Bij dit soort artikelen stel ik mezelf overigens altijd de vraag of dit soort onderzoeken er anders uit zouden zien als oplossingsgericht denken eronder zou zitten. Zou er dan vaker onderzocht worden welke positieve effecten - in plaats van negatieve effecten - iets heeft?
Leuk denkwerk. Bedankt. Geniet altijd van jullie nieuwsbrief!
groet,
Cora
bedankt Cora, Ja, ik kan me wel iets voorstellen bij die onderzoeksuitkomsten. Jerry Coyne verwacht daarentegen juist dat we door het idee van de vrije wil los te laten meer empatisch, begripvol zullen worden tegenover onze medemens.
BeantwoordenVerwijderenMisschien vind je het interessant om de reacties te lezen bij de oorspronkelijke, Engelstalige, versie van dit artikel: http://goo.gl/ofI6n